
Nederlanders in het bezette gebied Met ingang van heden heb ik de opperste leiding van de regee- ringszaken en het burgerlijk gezag in Nederland aanvaard. De grootmoedigheid van den Führer en de kracht van het Duitsche leger hebben het mogelijk gemaakt, dat reeds eenige dagen na de
door de vorige regering bezworen katastrophe de orde van het
openbare leven zal kunnen worden hersteld, en in den
gewonen gang van zaken slechts zal ingegrepen worden, als bijzondere
gebeurtenissen dit eischen. Als Rijkscommissaris zal ik de opperste
leiding in het burgerlijk gezag
uitoefenen voor de onder bescherming der Duitsche
troepen staande Nederlanders, om de
openbare orde te handhaven. Ik zal deze maatregelen treffen, ook
wettelijke, die noodig zijn, dezen
opdracht te vervullen. Het is mijn wil hierbij het Nederland- sche
recht zoveel mogelijk te eerbiedigen, tot uitoefening van het
bestuur de Nederlandsche autoriteiten te
raadplegen en de
onafhankelijke rechtspraak te eerbiedigen. Ik verwacht daar- tegenover,
dat alle in actieven dienst staande rechters,
openbare ambtenaren
en beambten mijne verordeningen streng zullen op- volgen en het Nederlandsche Volk
met verstand en zelfbeheer- sching
den toestand aanvaardt. De Nederlandsche
soldaat heeft zich in den strijd dapper ge- dragen. De Nederlandsche burgerbevolking heeft zich tegenover de
strijdende troepen ordelijk gedragen, zoodat
niets ons kan hinderen
elkaar met achting en eerbied te bejegenen. Het Duitsche Volk
vecht onder leiding van zijnen Führer den strijd
om zijn bestaan, den strijd die hem was opgedrongen door den
haat en nijd zijner vijanden. Deze strijd gebiedt het Duitsche Volk al zijne krachten in te spannen en
geeft hem het recht alle middelen te gebruiken om zijn doel te
bereiken. Deze plicht en noodzakelijkheid zal ook van invloed zijn
op het openbare leven van het Nederlandsche Volk. Ik zal
daarom zorgen, dat het Nederlandsche Volk als van
gelijken bloede als
het Duitsche Volk niet in ongunsterige
levensvoorwaar- den zal
vervallen, zooals de noodlottige omstandigheden
en den vernietigingswil
van onze vijanden in dezen tijden zulks noodzakelijk maken. Ik heb als Rijkscommissaris de
Rijksbelangen in de onder Duitsche bescherming staande Nederlandsche
gebieden te hand- haven en zal
ze ook handhaven. Het Nederlandsche Volk zal in
ver- vulling der
opgaven, die ontstaan zijn door het gemeenschappelijke lot, zijn
land en zijne vrijheid voor de toekomst kunnen verzekeren. Den-Haag, den 29
mei 1940 get. Seyβ-Inquart

Afm. 118 x
Affiche installatie rede.
Seyss Inquart Na de
capitulatie van Nederland werd de Duits-Oostenrijkse
politicus Arthur Seyss Inquart
tot commissaris van ons land benoemd. Seyss Inquart heeft geprobeerd het Nederlandse volk voor het
nationaal socialisme te winnen. Toen dat niet lukte heeft hij de druk op de
bevolking opgevoerd en met name na de februaristaking
van 1941 trad hij hard op.
6 ¼
De aanduiding ‘tussen de zes en de zes en
een half’ sloeg op de naam van de Rijkscommissaris Seyss-Inquart, die vaak,
‘zes en een kwart’ werd genoemd.
Op 12 maart 1941 reageerde Seyss-Inquart
voor het eerst in het openbaar op de Februaristaking. Het was tevens de eerste
keer dat hij openlijk sprak over het lot van de Nederlandse joden. ‘De joden
worden door ons niet beschouwd als een bestanddeel van het Nederlandse volk. De
joden zijn voor het nationaal-socialistische Rijk de vijand….Het zijn vijanden,
met wie wij noch een wapenstilstand, noch een vrede kunnen sluiten….Hun rol is
uitgespeeld’. Zijn toespraak markeerde de verandering in het – tot dan toe
omzichtige – Duitse beleid.

Seyss Inquart werd bij het besturen van
het land bijgestaan door een aantal ‘Kommissarissen”, zeg maar ministers. Zo was M.G. Amsinck ‘beim Reichskommissar für die besetzten niederl. Gebiete, Kommissar für
See und Binnenschiffahrt’. Hieronder afgebeeld zijn naamstempel.
Afbeelding gespiegeld.
De Duitsers wilden van Nederland een
Duitse provincie maken. De NSB was daartegen. Jaren had zij gewacht op de kans
om de baas in Nederland te worden en toen dat dichtbij scheen te komen, maakten
hun Duitse partijgenoten het hun zo moeilijk. De NSB was daarom in zekere zin
‘anti’-Duits. Uit machtsoverwegingen.
De NSB was goed genoeg om hand- en spandiensten te verrichten, waar het Duitse apparaat tekort schoot. Seyss-Inquart verlangde van zijn Nederlandse bondgenoten geen samenwerking maar collaboratie, geen vriendschap maar medeplichtigheid. Nimmer representeerde Mussert als leider van de NSB, het Nederlandse volk, in welks naam hij voorgaf te spreken.
Verordnungsblatt für die besetzten Niederländischen
Gebiete.
Hierin maakten de moffen stromen van
verordeningen bekend, vooral tegen de joden gericht, maar ook van allerlei
andere aard. In de bladen stond een overzicht van de door Duitse en Nederlandse
autoriteiten uitgevaardigde maatregelen op bestuurlijk gebied. Het eerste nummer
verscheen op 5 juni 1940.

Jaargangen 1941 - 1945
Een doel van de Duitse
bezettingspolitiek was (van Seyss Inquart, Rauter, enz.) om ten bate van de
Duitse annexatieplannen de NSB bij het Nederlandse volk zo te compromitteren en
gehaat te maken, dat het na de Duitse overwinning zeer gemakkelijk zou zijn om
de NSB, als natuurlijk ongeschikt voor de leiding van het volk, opzij te zetten
en te verwijderen. Bij de Duitse overwinning zou de NSB het eerste en het
verste weggezet zijn geworden. De overwinning hebben de Duitsers niet behaald
maar hun politiek ten aanzien van de NSB is geslaagd. De NSB werd aan het einde
van de oorlog door ons volk meer gehaat dan de Duitsers zelf.

De
doodstraf werd tijdens de bezetting veelvuldig uitgesproken. Zoals in dit
geval vanwege "Feindbegünstigung", hulp
aan de vijand. Een
Brits gevechtsvliegtuig had een noodlanding gemaakt, de bemanning werd bij
hun poging om weg te komen, geholpen door enkele burgers. Uiteindelijk
werd de bemanning toch opgepakt en vijf burgers werden ter dood
veroordeeld, drie burgers tot lange gevangenisstraffen. Den
Haag, 14-8-1941.
Wapentuig
kon maar beter ingeleverd worden. In geval van ongeoorloofd bezit zouden
"de zwaarste straffen en zelfs de doodstraf" worden toegepast. Aldus "Der Wehrmachtsbefehlhaber der Wehrmacht in den
Niederlanden, Get. Fr. Christiansen. 5 maart 1941. Afm.
98 x 69,5 cm.
Loyaliteitsverklaring. Een verklaring waarin men beloofde, de in bezet Nederland
ingevoerde wetten en verordeningen na te komen en waarin men bovendien
toezegde zich te onthouden van tegen het Duitse Rijk, de Weermacht of de
Nederlandse autoriteiten gerichte handelingen.

Binnen een termijn, die door de
Rijkscommissaris bepaald zou worden , moesten de in actieve dienst zijnde
rechters, openbare ambtenaren en beambten, alsmede alle leraren aan openbare en
particuliere onderwijsinstellingen onder ede de verklaring afleggen, dat zij de
verordeningen en andere bepalingen van de Rijkscommissaris en van de hem
ondergeschikte Duitse organen stipt zouden nakomen en dat zij zich zouden
onthouden van elke handeling, gericht tegen het Duitse Rijk of de Duitse
weermacht. Aldus bepaalde de Nederlandse tekst van de verordening 29 mei
Rechtsfront
Het Rechtsfront was bedoeld als
organisatie van allen die op enigerlei wijze in dienst stonden van de handhaving
van het recht in de Nederlandse staat. H.M. Fruin, één van de juridische
specialisten van de NSB, was tijdens de bezetting leider van het Rechtsfront.
Doel van het front was, om allen die te maken hadden met de rechtshandeling en
toepassing, te verenigen, uiteraard op basis van het nationaal socialistisch
gedachtegoed. De organisatie werd in augustus 1940 opgericht. In februari 1941
werd de contributie bepaald op vier, zes of tien gulden. Ieder lid mocht zelf
bepalen bij welke categorie hij dacht te behoren. Maar de leiding rekende er
stellig op dat de leden die nu vier gulden voldoen, meer zouden gaan betalen.
Het Front bestond uit de afdelingen
Justitie (A), Politie (B) en afdelingen voor vrije beroepen als advocaten en
notarissen (C). Men kon lid zijn van het Rechtsfront zonder lid te zijn van de
NSB, men moest echter wel bezield zijn met de Nationaal Socialistische
gedachte. Later konden ook burgemeesters lid worden, evenals de mannen van de
in het leven geroepen Vrijwillige Hulppolitie.
Het Rechtsfront moest tweemaandelijks worden verspreid om
uitdrukking te geven aan wat er leeft in de kringen van Justitie, Politie,
advocaten en notarissen.

Leerboek voor de
Politie, delen I, II en III. Door P. Stapel en J.J.A. de Koning. Achttiende druk. Bewerkt door A. van Zoelen, J. Vermeijden en Mr. Ph.L.J. Reijinga. 1939. Het moet hierbij om herdrukken gaan uit 1941 of later. Elk
deel heeft namelijk een z.g. kennummer en deze k-nummers werden pas in juli 1941 ingevoerd. Iedere
drukkerij had een eigen nummer, waarmee al het drukwerk moest worden
gewaarmerkt. Het kennummer van de afgebeelde
leerboeken en aanvullingen is K 2638.

Aanvullingen op het
leerboek. De politieagent moest er op toezien dat ook de verordeningen
door de bezetter uitgevaardigd, werden uitgevoerd. In de aanvullingen staan wijzigingen en aanvullingen op de
Leerboeken en voor de Politie van belang zijnde verordeningen en besluiten,
uitgevaardigd gedurende de bezetting van ons land die niet aansloten op in
het Leerboek opgenomen wetten.

Staatspolitie.
Op 14 december 1942 brengt Seyss Inquart
zijn Verordening Organisatie Politie (VOP) uit. Daarin bepaalt hij dat de
politie een aangelegenheid is van staatszorg, uitgeoefend door
staatsinstanties. De staatspolitie wordt voor de begroting als een zelfstandige
organisatie aangemerkt. De gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht,
Haarlem, Groningen, Arnhem en Eindhoven krijgen als eerste volledig
doorgevoerde staatspolitie. De burgemeester verliest het gezag erover. Dat gaat
over naar een ‘Politiepresident’. De politiepresidenten van Amsterdam,
Rotterdam, Eindhoven, Arnhem en Groningen zullen als ‘gewestelijk
politiepresident’, fungerend directeur van politie, gaan optreden.

De
politieagenten werden opgeleid ‘nach deutscher schnitt’. Ze kregen een militaire opleiding, zou
je kunnen zeggen. In 1942 werd bovenstaand zakboekje uitgegeven met daarin onderwerpen
zoals: Geweergrepen, eerbewijzen, het aan rotten zetten der geweren,
rijwielexercitie en “commando’s bij het vuurpeloton bij een begrafenis met
eerbetoon”.
Op 1 maart 1943 was een reorganisatie
van de politie van kracht geworden. De naam “Marechaussee” verdween als
zodanig. Er werd nu gesproken van “staatspolitie”. Ook de rangen kregen andere
benamingen en het uniform veranderde. De kepi werd vervangen door een platte
pet en de uniformjas kreeg een platte kraag.
Het boekje “Kameraadschapsbond der
Nederlandsche Politie” met daarbij de “Algemeene wenken”. Kameraadschapsbond van de Nederlandse politie. Opgericht op 19 juli 1940. Dit was de enige erkende
vereniging van Nederlandse politie-ambtenaren.
Het doel van deze Bond is: 1. te dienen en te
behartigen de belangen van de leden en hun gezinsleden, op cultureel en
sociaal gebied. 2. te bevorderen de
kameraadschap en het saamhorigheidsgevoel tussen allen, die tot de
Nederlandse politie behoren. 3. mede te werken aan
de verheffing van de Nederlandse politie op vakkundig gebied.

Ook bij politie en marechaussee werden de oude legerhelmen
met plaat doorgebruikt. Ze werden dan wel zwart geverfd. Kraaienpoot. De Politietroepen gebruikten soms
kraaienpoten bij wegversperringen. Ook nog na de Tweede Wereldoorlog zijn
ze gebruikt. Dit vooral om smokkelaars te bestrijden die actief waren in de
grensstreken. De kraaienpoten die door de Politietroepen werden gebruikt,
zijn gemaakt door de Hembrug. Daarnaast waren er vele andere
metaalbedrijven die ze produceerden.

Onder: Zinken clichés van de politie Rotterdam, 1944,
waaronder een cliché met de handtekening van de waarnemend gewestelijke
politiepresident J.J. Boelstra.
Patroontasje
Advertentiebesluit.
Op 24 juli 1942 kwam er een verordening van de president van de Kultuurkamer, Goedewaagen, het Advertentiebesluit geheten: Advertenties behoorden zakelijk, zonder kennelijke overdrijving of misleiding te zijn en mochten niets bevatten, dat er toe kon leiden, de belangen of het streven naar gemeenschap van het Nederlandse volk, zijn cultuur of economisch leven te verzwakken, of de godsdienstige gevoelens van anderen te kwetsen. De secretaris-generaal kon nadere voorschriften vaststellen in het belang van de volksvoorlichting.
Het OZO-motief (Oranje Zal Overwinnen) mocht niet in advertenties voorkomen. Dus niet: “Onze Zuurkool is Overheerlijk”, of “Onze Zuurkool is Op”. Zowel tegen de opstellers van zulke advertenties als tegen de directies van de bladen, die ze plaatsten, zou worden opgetreden.
Afbeelding rechts: Vreemde advertenties in de krant werden gezien als “grober Unfug” en zouden niet
worden geduld. De krant zou zwaar worden gestraft wanneer dergelijke
dubbelzinnige advertenties toch zouden worden gepubliceerd. “Referent für Volksauflärung und Propaganda”.

Verboden boeken: Lijst van door de “Befehlshaber der Sicherheitspolizei und der
S.D.” verboden boeken. De lijst werd regelmatig bijgewerkt.
De verboden boeken enz. moesten aan elke circulatie worden onttrokken.
Verboden
boeken.
Van begin 1941 ging er bijna wekelijks
een brief van de hoofdcommissaris van politie naar houders van leeszalen uit,
met een lijst van door de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und de S.D.
verboden boeken, drukwerken en geschriften. De verboden boeken moesten worden
ingeleverd bij de recherche.
Censuur
De Duitsers controleerden de kranten,
tijdschriften, radio etc. Kritiek werd niet geduld, alles wat het beeld van de
Duitser als groot Germaanse strijder zou aantasten viel onder de censuur. Vaak
was één zinnetje al voldoende om een boek uit de handel te doen nemen. Zo was
van nationaal socialistische zijde de banvloek uitgesproken over één van de
geschiedenisboekjes van De Jongh en Van Poelje, omdat daarin beweerd werd, dat
de oude Germanen in beestenvel gekleed gingen. Ook het boek “De zoon van Dik
Trom” van C. Joh. Kieviet was verboden, omdat daarin jongens in een
sneeuwgevecht gewikkeld, elkaar “Leve de koningin” en “Weg met de Duitsers”
toeriepen.
Nationale Omroep. Deze NSB omroep werd al
op 20 juni 1940 opgericht, maar tot een uitzending zou het niet komen.
Ondanks het feit dat de ‘Nationale Omroep’ tienduizend leden wist te
registreren, moest men begin 1941 het plan laten varen en werd de NSB
omroep opgeheven.
Wij van den omroep. “Wij van den omroep”, was het personeelsorgaan van de Nederlandsche Omroep. Dit maandblad was een 100% NSB
blad. Op de omslag de leeuw van de Nederlandsche
Omroep die met de linker klauw zeven pijlen bundelt. Oplage 1000 stuks.

Luistervergunning.
Op 19 december 1940 werd bepaald dat
iedereen een luistervergunning diende aan te vragen, en met ingang van 1
januari 1941 een luisterbijdrage aan P.T.T. moest worden betaald van negen
gulden per jaar, die de vrijwillige bijdragen aan de omroepverenigingen ging
vervangen. Alleen een luistervergunning welke voorzien was van het voorgeschreven
aantal zegels of waaraan gehecht was het bewijs dat de verplichte bijdrage door
middel van de postcheque- en girodienst werd overgemaakt, gaf de houder van de
ontvanginrichting de bevoegdheid om de uitzendingen van de radio omroep te
ontvangen.