
Stamboeknummers, uniformgedoe en
veelheid aan functionarissen waren in feite drie middelen tot één dezelfde doel:
men wilde de NSB leden ervan doordringen, dat het iets héél bijzonder was om
lid van de NSB te mogen zijn. Geen enkel andere fascistische beweging in
Nederland heeft ooit zo zeer de eigen organisatie gecultiveerd en alleen de
communisten kunnen in dit opzicht met de NSB vergeleken worden. In dit kader
past ook de instelling van het ‘voorlopig lidmaatschap’ met een proeftijd van
drie maanden; de vrees voor een al te snelle en ongecontroleerde ledenaanwas
zal de behoedzame leider daarbij ook wel parten gespeeld hebben, maar tegelijk
kon het nieuwe instituut nog eens extra onderstrepen, dat het een eer en een
voorrecht was NSB’er te mogen zijn.
Om lid te worden van de NSB, moest je
18 zijn. Na toelating ontvangt het lid: 1. De lidmaatschapskaart. 2. Het lidmaatschapsboekje.
3. De Bronnen van het Nederlandsch Nationaal Socialisme. 4. Het Programma met
toelichting. Aan inschrijfgeld betaalt het lid f. 1.-, terwijl voor de boekjes,
genoemd onder 2, 3 en 4, een bedrag van f. 0.35 is verschuldigd. Deze bedragen
moeten bij uitreiking worden voldaan. Voor financieel zeer weinig
draagkrachtigen kan het inschrijfgeld verminderd worden, echter met
inachtneming van een minimum van f. 0,25. (blz. 9 van het Lidmaatschapsboekje).
Hieronder: Waarschijnlijk een kinderringetje (kleine maat), vroeg
model. Later verdween namelijk de kroon op de leeuw.

Marsorder.
“1. Elke NSB’er heeft steeds bij de
hand: één exemplaar Programma met Toelichting, één laatste nummer Volk en
Vaderland, één dito Kringnieuws, drie aanvraagformulieren lidmaatschap en vijf
formulieren voor notering naam en adres van belangstellenden. 2. Elk lid draagt steeds zijn insigne. 3. Elk
lid geve zich, voor zover zulks nog niet is geschied op als medewerker aan één
of meer van de volgende diensten: W.A., Colportage, Stootgroep, Bezorgdienst,
Documentatie, Bibliotheek, Voorlichtingsdienst, Studie- en Debatingclub. 4.
Elke NSB’er onverschillig van welk vak of beroep stelt zijn vrije tijd ten
dienste van de propaganda der Beweging. Hij geeft naam, adres en vak op aan
zijn groepspropagandist. 5. Elke NSB’er werkt voortdurend aan eigen vorming tot
een waarachtig Nationaal Socialist. Hij bezoekt vergaderingen, komt geregeld op
het Kringhuis, leest fascistische lectuur en zorgt steeds een voorbeeld te zijn
voor anderen”.

Voorschriften
betreffende de inschrijving van Sympathiserenden en Adsp.werkende leden. Interne voorschrift – zeldaam.
Cartotheekkaarten zaten in het archief van de NSB en zijn
zeldzaam.
Sympathiserende.
Op 19 juli 1941 achtte de Leider het ogenblik gekomen, de inschrijving van leden op “stop” te zetten, teneinde de gelegenheid te scheppen een schifting toe te passen. Op die datum telde de NSB rond 100.000 leden. Tegelijkertijd werd het instituut der “sympathiserenden” ingesteld. De bedoeling was voortaan de leden te recruteren uit de sympathiserenden en uit de nevenorganisaties W.A., SS, Jeugdstorm, NSVO alsmede de fronten. De sympathiserenden werden onderscheiden in twee categorieën n.l. zij die niet daadwerkelijk willen of kunnen meestrijden en dus de Beweging alléén geldelijk steunen, en zij die bovendien ook hun werkkracht ten dienste der Beweging stellen. De tot de eerste categorie sympathiserenden zullen niet als lid worden opgenomen, terwijl de sympathiserenden van de tweede categorie na minstens drie maanden in de Beweging te hebben meegewerkt en aan alle verplichtingen te hebben voldaan, door de Groepsleider als lid kunnen worden voorgedragen. (Vova, 12-12-’41).


Ook als sympathisant kon je carrière maken, de persoon boven werd sympathisant op 17-2-1943 en werkte zich op tot Blokleider van de NSB.
De sympathiserende leden hadden dezelfde
verplichtingen als de gewone leden, behoefden echter als zodanig in geen enkel
opzicht aan de werkzaamheden deel te nemen. Daarom werden zij dan ook niet als
volwaardig lid beschouwd. In het stamboek van de NSB in Utrecht werden zij niet
opgenomen en ze kregen geen stamboeknummer. Het eigenlijke lidmaatschap kon
verdiend worden door het sympathiserend lid als het tenminste gedurende drie
maanden werkzaamheden ten behoeve van de NSB had verricht. De sympathiserende
leden benaderden ongeveer het getal van dertigduizend en mochten geen zwart
hemd of uniform dragen.' "Het is een soort begin-lidmaatschap, waarin je
niet zoveel hoefde te doen. Maar het was tevens bedoeld als sluis naar het
echte lidmaatschap."
“Bij hebben er nooit naar gestreefd in de Beweging een zeer groot aantal mensen te brengen, maar willen in de Beweging alleen een keurkorps. De consequentie daarvan is getrokken. De Beweging is voorlopig gesloten. Er zullen geen nieuwe leden meer worden aangenomen, alleen sympathiserenden, die dus geen uniform, geen zwart hemd of insigne mogen dragen. Slechts na gebleken geschiktheid zullen zij als lid worden aangenomen. Daarin komt tot uiting het beginsel dat wie lid is van de Beweging, tot een keurkorps behoort. Ik geef toe dat NSB’ers niet tot een beter mensenslag behoren dan de rest van het Nederlandse volk. Daarom gaat het ons niet. Wij hopen, dat zij goede elementen van het Nederlandse volk zijn. Maar de deugden die wij van hen eisen zijn: eenvoud, moed, openhartigheid en trouw. Wij noemen alleen hem nationaal-socialist, die bereid is deze deugden te ontwikkelen. En wij eisen juist dit, omdat dit de deugden zijn die vereist zullen worden om de nieuwe maatschappij op te bouwen . Aldus Mussert.
Afbeelding
hiernaast: Ledenspeld
met daarnaast het draagteken voor sympathiserende.
Zakboekjes en vijf-jaren-insignes. Een lid, dat gedurende vijf jaren als zodanig staat
ingeschreven, ontvangt van Afdeling 1, Personeel, van het Hoofdkwartier een
invulformulier met verschillende vragen betreffende zijn (haar) staat van
dienst, enz. Deze vragenlijst wordt door het lid ingevuld en met twee
pasfoto’s in zwart hemd aan Afdeling 1 teruggezonden. De Kringbeheerder
ontvangt daarna het zakboekje met het vijfjareninsigne, die beide een
nummer dragen, en zendt deze door naar de Groepsleider, die voor uitreiking
heeft te zorgen. Het zakboekje en het vijfjaren-insigne worden tegen
ontvangstbewijs gratis verstrekt. Bij de uitreiking aan het lid wordt het
zakboekje echter ingewijd met een “Hou en Trou zegel”. Het zakboekje wordt
eens per half jaar door de Kringbeheerder bijgewerkt en afgestempeld.

Werkers - De Werkerskern. Werkers waren de actieve leden van de NSB. De kern
bestaat uit actieve leden van de Politieke Organisatie van de Beweging, die
ten volle bereid zijn alle beschikbare tijd en werkkracht in dienst van de
NSB te stellen. Zij bestaat uit strijdende nationaal-socialisten, die te
allen tijde door houding en geest een voorbeeld geven in offervaardigheid,
daadkracht, kameraadschap en tucht. Alleen zij, die minstens zes maanden
als lid zijn ingeschreven en die door hun regelmatig werk bewijzen hebben
gegeven van bruikbaarheid en plichtsbetrachting worden tot de kern
toegelaten, eventueel na een proeftijd van drie maanden. Werkerskaart. Als bewijs van toetreding tot de kern ontvangt het
lid een werkerskaart, waarop staat aangegeven: 1. naam, adres en
stamboeknummer; 2. datum, waarop gelofte is afgelegd; 3. werkzaamheden
of functie in de Beweging; 4.
distinctief, dat gedragen mag worden. De werkerskaart wordt eens per drie
maanden door de Groepsleider afgetekend en is niet geldig, indien diens
handtekening ontbreekt. (Instructie voor het werk in een groep, blz. 43,
44).

Op 22
oktober 1938 werd er een landelijke bijeenkomst gehouden te Amsterdam in
het RAI. Afgebeeld
het programmaboekje met bijbehorende dagspeld.

Fronten en Gilden waren Nationaal
Socialistische verenigingen van vakgenoten.
(Hieronder enkele voorbeelden)
De fronten en gilden heeft de NSB ingesteld om een
volksordening in corporatieve geest voor te bereiden. In juli 1942 heeft
Mussert daarover uitvoerig gesproken in zijn rede, gehouden op de Goudsberg te
Lunteren, “De Nederlandsche Staat in het Nieuwe Europa”.
Het gehele terrein van werkzaamheden op maatschappelijk gebied (buiten het kerkelijk terrein) is verdeeld over 7 arbeidsterreinen:
De Voedselvoorziening
Nijverheid, handen en bankwezen
Waterstaat, energie en verkeer
Volksgezondheid
Opvoeding en Onderwijs
Cultuur
Openbaar bestuur
Iedere werker in ons Volk behoorde krachtens zijn werk tot een of meer van deze gebieden. Ieder dezer gebieden wordt geleid door een gilde of een front, zodanig, dat de eer van de arbeid wordt hoog gehouden, het vak naar behoren wordt uitgeoefend, het Volk naar de eis wordt gediend, zodat het algemeen belang voorgaat boven het groepsbelang en het groepsbelang boven het persoonlijk belang enz.
Vervoersfront.
“Het Vervoersfront neemt wel een bijzondere plaats in in de organisaties, welke strijden voor den Nieuwen Tijd. Met een doelbewust beperkte organisatie blijft het in een tijd van volkomen afbraak strijden voor het behoud van het particuliere initiatief en voor gezonde nationaal-socialistische doelstellingen voor het bedrijfsleven op verkeersgebied in Nederland”.
“De organisatie van het Vervoersfront is een afspiegeling
van de Hoofdgroep Verkeer der Organisatie van het Nederlandsche
Bedrijfsleven, met dien verstande, dat het Vervoersfront slechts een leider
en een plv. Leider, werkende met een bureau heeft en dat de
Bedrijfsgroepen, Vakgroepen en Ondervakgroepen, zoals de Hoofdgroep Verkeer
die kent, door het Vervoersfront Hoofdsecties, Secties en Ondersecties
worden genoemd. De indeeling in Hoofdsecties is als volgt: Tramwegen, spoorwegen, wegvervoer, binnenscheepvaart, Haven-
& aanverwante bedrijven, koopvaardij, zeevisscherij, hotel-, café-, restaurant-,
pension- en aanverwante bedrijven. Over het vervoersfront is weinig bekend. In ieder geval was
een meneer Brands er de leider van”. Het embleem van het Vervoersfront was het Rune teken voor
‘tocht’ of ‘rit’.
Studentenfront.
In 1941 werden op last van Mussert de bestaande nationaal-socialistische studentengroeperingen in een Studenten Front geïncorporeerd, wat met grote moeilijkheden gepaard ging, daar velen uit die kring wel de nieuwe orde maar niet ‘het mannetje Mussert’ wensten. De nieuwe organisatie liet weinig van zich spreken en verviel al spoedig in het bekende rancuneuze gebral, waarbij de “anti’s” beurtelings voor lafaards, hopeloos beschimmelde conservatieven of gedachteloze meelopers werden uitgemaakt.
Het Studentenfront werd op 16 november 1941 in Den Haag
opgericht. Initiatiefnemer was het hoofd van het Opvoedersgilde van de NSB
prof. Mr. Dr. R. van Genechten. Belangrijkste doelstelling van het front was
het uitdragen van de nationaal socialistische beginselen in universiteit en
hogeschool en te komen tot een ‘nieuwe universiteitsgemeenschap’
Studentenfront (krant). Het eerste nummer verscheen op 5
februari 1941.
Oostinzet.
In de tijd van de totale oorlog meende het Studentenfront, dat de studenten in de vakanties niet werkeloos zouden blijven. Daartoe werd in 1942 een oogsthulp georganiseerd te Tynaarlo in Drenthe en in 1943 een Oostinzet in Lublin. Het doel van deze Oostinzet, welke een vakinzet was, was tweeledig: 1. meehelpen aan de opbouw in het oosten, 2. de studenten uit de praktijk de problemen van Oost Europa te leren kennen.
Medisch
Front. Dit was de organisatie van NSB artsen. Leider werd Dr. G.A. Schalij te
Arnhem; plaatsvervanger Dr. C.C.A. Croin te Den Haag. Croin was gemachtigde
van Mussert voor het artsenwezen, president van de Nederlandse Artsenkamer,
leider van de Vereniging van Ziekenfondsartsen, lid van de NSB en
begunstiger van de SS. In februari 1944 was Dr. Ch. A. Götte de leider van
Medisch Front. Afbeelding recht: Volksgezondheid; het orgaan van Medisch Front.

Front
van Nering en Ambacht.
Front van Nering en Ambacht, bood
‘onderdak’ aan de NSB-winkeliers en andere kleine zelfstandigen. Het Front van
Nering en Ambacht werd op 20 juli 1940 onder de naam Middenstandsfront
opgericht. In het najaar van 1941 kreeg de organisatie haar nieuwe naam.
Economisch
Front.
Hier sloten ondernemers zich aan met
nationaal-socialistische sympathieën. Leider was Mr. M.M. Rost van Tonningen.
In Bussum zat een afdeling van het Economische Front. Dit was de Grafische
Industrie. Sectieleider was H.J. Kerkmeester, Koningslaan 12, Bussum. Een ander
afdeling van het Economisch Front die er zat was de Papier- en
Papierverwerkende Industrie met als sectieleider K. van Meurs (wnd), Bosb.
Toussaintlaan 6.
H.J. Kerkmeester. Het SDAP dagblad Het Volk kwam met andere bladen, die door
de Arbeiderspers werden uitgegeven, op 22 juli 1940 onder beheer van de
NSB’er Kerkmeester. Hendrik Jacobus Kerkmeester was door Rost van Tonningen
benoemd tot directeur van het socialistische bolwerk aan het Hekelveld in
Amsterdam, de Arbeiderspers. Enkele redacteuren namen daarop ontslag. Onder
hen waren het latere PVDA kamerlid mevr. Gerda Brautigam en de schrijver
Simon Carmiggelt. Afbeelding rechts: Brief van de NSB, van de ‘adviseur van de Leider’, 21 april
1943. Met de handtekening van H.J. Kerkmeester.

Gilde der Voortrekkers.
Dit gilde stelde zich ten doel zoveel mogelijk nummers
van “Volk en Vaderland” aan de man te brengen. Het gilde was een werkerskern
van straatcolporteurs: Mannen en vrouwen die het nationaal socialisme uitdragen
op alle straten en pleinen van Nederland.
Het Opvoedersgilde.
Op 21 september 1940 was, in opdracht van de leider van de NSB, een opvoedersgilde opgericht, waarvan de leiding in handen was van mr. R. van Genechten. Het gilde had tot doel, de herziening van opvoeding en onderwijs in ‘volkse zin’ te bewerkstelligen en alle ‘volksgenoten’, die bij het onderwijs en de opvoeding van de ‘Dietse jeugd’ betrokken waren, te verenigen.
Het Opvoedersgilde was een puur ideologische
aangelegenheid: een vereniging van gelijkgestemden (althans min of meer
gelijkgestemden) met de bedoeling om nationaal socialistisch onderwijs ideeën
te ontwikkelen, en die ideeën in het onderwijs te verbreiden.
Opvoeding in Volkschen Geest. Vanaf
mei 1941 gaf het opvoedersgilde zijn eigen tijdschrift uit, genaamd
Opvoeding in Volkschen Geest. In maart 1942 werd het van maandblad in een
tweewekelijks blad omgezet en vanaf februari 1943 verscheen het wekelijks.
Het blad was vooral bestemd voor onderwijzers. Het propageerde de
‘opleiding van de Nederlandsche jeugd tot volwaardige volksgenoten in het
Nieuwe Nederland’.
De Nederlandse
Kultuurkamer. Opgericht eind november 1941. De kunst en cultuur in
al haar uitingen en vormen behoorde dienstbaar te zijn aan het
groot-Germaanse rijk. Artiesten, verenigingen, zangkoren, muziekkorpsen,
toneelverenigingen, uitgevers, boekhandelaren, importeurs,
leesbibliotheekhouders, houders van bestelkantoren, vertegenwoordigers en
colporteurs moesten zich, zonder uitzondering, melden voor het lidmaatschap
van de Nederlandsche Kultuurkamer. Tobi Goedewaagen werd voorzitter van de
Kultuurkamer. Ook was hij begunstigend lid van de SS.


De Schouw.
Financiële zorgen leverde het fraai uitgevoerde blad De Schouw, orgaan van de Nederlandse Kultuurkamer op, dat de kunst en de cultuur van de “nieuwe orde” onder de aandacht van het Nederlandse volk moest brengen. Bij alle pompeuze uitvoering kon dit blad zijn innerlijke leegte nimmer verbergen. Het eerste nummer verscheen in januari 1942. Het blad stond onder redactie van Dr. T. Goedewaagen en Henri Bruning. Op 1 juli 1942 trekt Bruning zich terug.

Afbeelding boven.
Het boek ‘Passer en Speer’, ‘Cultuurpolitieke Redevoeringen door Prof. Dr. T. Goedewaagen.’ Eerste reeks, Uitgeverij ‘De Schouw’, ’s Gravenhage, 1941. “Ter herinnering aan de opening van de tentoonstellings- en voordrachtzaal van de Uitgeverij “De Schouw” Heerengracht 50, ’s Gravenhage op 7 November 1941.” Met de handtekening van Tobi Goedewaagen (zie boven).

Prof. T. Goedewaagen naast Mussert. Prof. T. Goedewaagen bij een toespraak.
Bewijs van aanmelding. “Deze kaart kan NIET worden beschouwd als bewijs van
lidmaatschap.” Lidmaatschapsbewijzen zijn nooit uitgereikt.

Programma
Snip en Snap revue uit het seizoen 1943-1944. Ondanks
de moeilijke tijd ging het theater leven ‘gewoon’ door. In de Snip en Snap
revue werd de moeilijke dagelijkse situatie met een knipoog belicht: in
nummers met titels als “Zeg het met…..levensmiddelen” en “Als op het
Leidscheplein de lichtjes weer eens branden gaan”. Serieuze kritiek was
echter niet mogelijk. Alle kunstenaars waren verplicht lid van de
Nederlandsche Kultuurkamer. Zonder dit lidmaatschap mocht men hun beroep
niet uitoefenen. Hoewel veel kunstenaars weigerden, zagen Willy Walden en
Piet Muyselaar blijkbaar geen reden om deze concessie aan de bezetters te
weigeren.
Programma boekje
Letterengilde.
Het letterengilde, waaronder ook de uitgevers, boekverkopers en leesbibliotheekhouders zouden moeten ressorteren, kwam op 2 maart 1942 tot stand. Op 13 maart werd prof. Dr. Jan de Vries er leider van, 15 mei H.M. Klomp gesalarieerd bestuurder. Het letterengilde was een afdeling van de Nederlandse Kultuurkamer. In maart 1942 werd men tot aanmelding verplicht, wilde men zijn bedrijf kunnen voortzetten. De meesten hebben aan die verplichting voldaan, al is het bij de aanmelding gebleven, daar niemand ooit bericht heeft ontvangen, dat hij als lid van de Nederlandse Kultuurkamer was geaccepteerd. In augustus 1944 waren er nog driehonderd nalatigen en die zagen hun standvastigheid beloond, want na september van dat jaar werden er geen maatregelen meer tegen hen genomen.

Seyss Inquart feliciteert Prof. De Vries. Op de voorgrond,
rechts; Tobi Goedewaagen.
Prof. Dr. Jan de Vries.
Toen het bestuur van de “Vereeniging ter
bevordering van de belangen des Boekhandels” aftrad, deed al spoedig zich de
behoefte aan deskundige leiding voelen. A.D. Oosthoek, gemachtigde op het
gebied van de Vereniging, trachtte een raad van bijstand te formeren, waarin
behalve enige NSB’ers een aantal figuren uit boekhandel en uitgeverij zou
moeten komen, bereid tot samenwerking. Niemand liet zich vangen. Het mislukken
van alle pogingen tot het formeren van een raad van bijstand bracht prof. Dr.
Jan de Vries, vice-president van de Nederlandse Kultuurkamer, er toe een
bespreking met het afgetreden bestuur der Vereniging aan te vragen, maar de
standpunten lagen te ver uiteen dan dat zulk een bespreking enig succes had.
Dit voor de Kultuurkamer weinig bevredigende resultaat was een van de oorzaken
van het bedanken van prof. Dr. Jan de Vries als leider van het letterengilde en
vice-president van de Kultuurkamer in september 1943.
Memorandum
van de Kultuurkamer. Volgens het hier afgebeelde memorandum had de aangeschreven
boekhandelaar zich niet gemeld als lid van de Kultuurkamer. Om die reden
zou hij uit de lijst van erkende boekhandelaren worden geschrapt. Ook zouden er nog andere stappen worden ondernomen, mocht
hij zich niet binnen 5 dagen aanmelden als lid.
Nederlandsche Kultuur
Kring De Nederlandse Kultuur Kring had als fundamentele grondslag
“in volledige bereidwilligheid met het Duitse volk samen te werken.” Als tweede
grondbeginsel werd vastgelegd: de zorg voor een zelfstandig Nederlands
Kultuurleven. Het gemeenschappelijke, dat de volkeren verbindt, te
bevorderen en werderzijds begrip te wekken. “Onze voornaamste taak is de geestelijke leiding van het
Nederlandse volk. De Kultuurkring plaatst zich op de bodem van het
Nederlandse volk. Het is nodig hier uit te spreken, dat het Nederlandse
volk iets anders is, dan het totaal der tegenwoordige Nederlandse
staatsburgers. Dit volk is een Germaans volk en slechts op deze grondslag,
op het Germaanse wezen van ons volk kan ons werk berusten.” Citaat van Prof. Dr. G.A.S. Snijder, voorzitter van de
Nederlandse Kultuur Kring.


Leidersprincipe
In de P.O. (Politieke Organisatie) heerst als algemeen beginsel van Nationaal Socialisme het leidersprincipe, dat in verschillende trappen (van blok- of buurtleider tot de Leider van de Beweging) in deze organisatie tot uitdrukking is gebracht. Dit leidersbeginsel schept niet alleen een hiërarchische betrekking, met een opgelegde gezagsverhouding van meerdere tot ondergeschikte, maar een band van vertrouwen en kameraadschap, krachtens welke de geleiden zich vrijwillig naar de leiders richten. Rangen in eigenlijke (hiërarchische) zin zijn in de Beweging als politieke organisatie dan ook niet bekend. Anders is het in de Weerafdeling, welke als een op het militaire bevel beginsel gebouwde instelling is aan te merken, waarbij krachtens een hiërarchische gezagsverhouding de meerdere in rang de mindere beveelt, die uitsluitend uit hoofde van zin plicht als ondergeschikte tot nakoming van het bevel gehouden is.